De middeleeuwen

  • De middeleeuwen worden verdeeld in vroege (500-1000), hoge (1000-1300) en late middeleeuwen (1300 tot 1500).
  • Toen het Romeinse rijk eind 5e eeuw instortte, verjoegen plunderende volken (o.a. de hunnen) vanuit het noorden en oosten de oorspronkelijke bevolking. De Romeinse cultuur ging verloren. De verschillende Gotische, Frankische en Germaanse stammen waren deels heidens, deels christelijk.
  • Omstreeks 700 brachten de Frankische koningen, met name Karel de Grote, West-Europa onder hun heerschappij. Zij gebruikten de kerk en de kloosterscholen om er één rijk van te maken. Dat streven staat bekend als de Karolingische renaissance.
  • In de 9e eeuw viel het Karolingische rijk uiteen.

Middeleeuwse kunst werd geproduceerd in vele materialen. De werken waarvan veel voorbeelden zijn blijven bestaan zijn beeldhouwwerken, verluchte handschriften, glas in loodramen, producten van metaalbewerking, en mozaïeken. Deze hadden allemaal een hogere overlevingskans dan andere media, zoals bijvoorbeeld fresco muurschilderingen en werken in kostbare metalen of textiel, waaronder wandtapijten. Vooral in het begin van de periode werden producten van de decoratieve kunsten, zoals metaalbewerking, ivoorsnijwerk, emailbewerking en kostbare borduurwerken waarschijnlijk meer gewaardeerd dan schilderijen of monumentale sculpturen

Absolutisme in Frankrijk

  • In de 15e eeuw kende Frankrijk twee belangrijke hoven. Het hof van de koning werd beconcurreerd door dat van de hertogen van Bourgondië in Dijon.
  • Lodewijk XIV werd gedreven door persoonlijke zucht naar macht en roem. Tijdens zijn 72-jarige regeerperiode schakelde hij de macht van de adel en iedere vorm van democratie systematisch uit.
  • Lodewijk gebruikte de kunst om zijn greep op het land te versterken en vond in de statige, classicistische barok daarvoor de geschikte taal. Het hof van Versailles werd het culturele hart van Europa, vooral op het gebied van toneel, dans en opera. Portretten, standbeelden en munten moesten zijn goddelijke status bevestigen en zijn aanwezigheid over het hele land verbreiden. De gang van zaken aan het hof was onderworpen aan een een eindeloze reeks rituelen. In de hofballetten - waarin hij zelf de hoofdrol danste - werd hij vergeleken met Apollo, de personificatie van het goede dat het kwade verdrijft.
  • Lodewijk richtte koninklijke academies op, waarmee hij de kunst professionaliseerde en ook voor de staat controleerbaar maakte

 

HOFCULTUUR ITALIË

In het 15e-eeuwse Italië heerste een algemeen gevoel van politieke, sociale en geestelijke onafhankelijkheid. Het land bestond uit een aantal rijke, onafhankelijke republieken en een aantal kleinere stadstaten.

  • Begin 15e eeuw kwamen als gevolg van politieke en maatschappelijke ontwikkelingen de machtsverhoudingen anders te liggen dan daarvoor. De paus keerde terug uit zijn ballingschap in Avignon en probeerde Rome militair en cultureel weer op de kaart te zetten. De andere vorsten voelden de noodzaak zich ook met grote kunstopdrachten te profileren. .
  • In het quattrocento werden de hoven de centra van de nieuwe cultuur.
  • De Italiaanse kunst uit de 15e en 16e eeuw is gebaseerd op voorbeelden uit de Klassieke Oudheid, vóór de opkomst van het christendom. Uit de bronnen die bewaard gebleven waren, leiden kunstenaren uitgangspunten af voor bouwkunst, stedenbouw, theater, schilderkunst, opvoeding, wetenschap, staatsinrichting en rechtspraak. De opleving / wedergeboorte van de klassieke kunst heet de Renaissance. Kenmerkend is een groot vertrouwen in de mens die alles weet en kan en zijn eigen lot bepaald: de homo universalis, de alleskunner. Een voorbeeld is Michelangelo van Da Vinci en de David van Donatello. Met dit idee dat op komt zetten wordt er afstand genomen van het idee dat alles verloopt volgens Gods plan. Het centrum van de Renaissance in de 15e eeuw was Florence en in de 16e eeuw Rome. De renaissancekunst is hofkunst, kunstenaars werken in opdracht van het hof en maken gebruik van de kennis binnen het hof. Kunstenaren in de middeleeuwen waren bijvoorbeeld ambachtsmannen en stelde niet veel voor. Maar kunstenaren in de Renaissance stelden wel iets voor omdat alles moeilijker werd in de kunst en je krijgt aanzien als je dit beheerst want dan heb je kennis over de inhoud wat je maakt.

    Hof in Rome.

    Aan het eind van de 15e eeuw wordt de macht van de Katholieke Kerk en de paus steeds zwakker door oorlogen. In 1503 wordt er een nieuwe paus gekozen: Julius II, hij is diplomaat, soldaat en kunstliefhebber. Hij omringt zich met de drie belangrijkste kunstenaars voor die tijd:

    1.Michelangelo beeldhouwer, architect en schilder

    2.Donato Bramante schilder en architect

    3.Rafaël   schilder en architect

    Tijdens de periode dat Julius II heerst bestaat Rome uit een samenbundeling van kleine dorpjes tussen grote ruïnes. Na zijn dood bouwt Rome weer op en in de 16e eeuw wordt het pauselijk hof het belangrijkste centrum voor de ontwikkeling van de kunst en wordt de belangrijkste cultuurstad van Europa.

Aan het einde van de 16e eeuw raakt de kunst steeds verder verwijderd van de oorspronkelijke uitgangspunten en stijlkenmerken van de Renaissance en om deze verandering te benadrukken maken we onderscheidt tussen de Renaissance en de barok. De stijlaanduiding ‘’barok’’ wordt gebruikt voor de kunst uit de 17e eeuw. In Italië en in Frankrijk verandert de rol van de kunst en vanuit Rome wordt de strijd aangebonden tegen de Reformatie en de leegloop van de Katholieke Kerk. De Kerk probeert te mensen terug te winnen door pracht en praal. We zien dat kunst een onderdeel wordt van deze Contrareformatie.

In Frankrijk wordt Lodewijk XIV een alleenheerser en voorbeeld voor absolutisme. In Frankrijk gaat net als in Italië kunst een rol spelen om het volk te imponeren.

 

DE NIEUWSTE TIJD(1750 - 1900)

De nieuwste of moderne tijd onderscheidt zich van de voorgaande perioden doordat zich een nieuwe groep in de maatschappij opdringt: de arbeiders.

Deze periode werd ingeluid door twee ingrijpende veranderingen in een maatschappij, waarbinnen de adel en het handelspatriciaat de macht in handen hadden. Dit zijn de Franse Revolutie en de Industriele revolutie.

De Franse Revolutie was het gevolg van een stroming die in de tweede helft van de 18de eeuw opkwam, namelijk de Verlichting. Vooraanstaande filosofen, zoals Immanuel Kant, spoorden de mensen aan tot zelfstandig denken. Volgens hen zou de mens onwetend blijven zolang hij niet de moed had om op eigen gezag, dus niet onder leiding van iemand anders, zijn verstand te gebruiken. Een zeer belangrijk aspect van dit idee was, dat werd verondersteld dat elk mens dit vermogen bezat, zodat iedereen feitelijk gelijk is.

Dit had natuurlijk grote gevolgen voor de maatschappelijke verhoudingen in die tijd. Ook werden de mensen aangezet om de dogma's van de kerk eens kritisch te bekijken en niet klakkeloos te accepteren. Het gevolg was dat de burgerij tegen de gevestigde orde in opstand kwam. De bekendste gebeurtenis  in dat kader is de bestorming van de bastille in Parijs op 14 juli 1789, waarmee de Franse Revolutie begon.

De Franse Revolutie had gevolgen voor de hele Europese samenleving. De steeds onafhankelijker wordende maatschappij ging eisen stellen met betrekking tot medezeggenschap op bestuurlijk niveau. In veel landen werd een grondwet afgedwongen.

De Industriele Revolutie ontstond in Engeland, waar de produktie-methoden het meest geavanceerd waren. Deze revolutie verspreide zich in de loop van de 19de eeuw over heel Europa. 

Beide gebeurtenissen beloofdeneen toekomst met veel voorspoed, welvaart en politieke gelijkheid. Dejaren die volgden bewezen echter het tegendeel. Na de Franse Revolutie was nog steeds geen sprake van vrijheid, gelijkheid en broederschap in Europa. Sterker nog, er werd gefluisterd dat de revolutie meer levens gekost had dan het oude regiem. Bovendien werd in veel landen, na een korte periode van een verlichte regering, de klok weer teruggedraaid.

De Industriele Revolutie bleek aleen voorspoed te brengen aan de eigenaars van de fabrieken. Ten tijde van het oude regiem, waarin de adel en de kerk de macht in handen hadden, leidde het volk een arm maar relatief vrij bestaan. Ze waren boer of ambachtsman. Verblind door de beloftes van economische welvaart, verlieten velen van het het platteland en trokken naar de grote steden om daar in fabrieken te gaan werken. De ambachtslieden werden min of meer gedwongen om in een fabriek te gaan werken, omdat de concurrentieslag met de machinale produktie-methoden velen brodeloos had gemaakt. De beloftes over een beter bestaan waren loze woorden geweest, want het leven van een fabrieksarbeider bleek zwaar, ongezond en troosteloos.

De invloed op de kunst

Deze situatie heeft een tweeledige invloed op de kunstenaars gehad. Een grote groep kunstenaars ging zich richten op een nieuw publiek: de grote industrielen. Hun smaak verschilde echter niet veel van de heersende traditie die in adelijke en andere welgestelde kringen heerste. Bepalend voor de norm waren de regels van de kunstacademies. Van zeer grote invloed waren de Salons. Dit waren (half- of) jaarlijks georganiseerde tentoonstellingen waar het publiek de kans kreeg met de nieuwste ontwikkelingen op het gebied van de beeldende kunst kennis te maken. Kunstenaars die zich niet wensten aan te passen aan de academische norm, werden niet op een dergelijke tentoonstelling toegelaten en moesten hun kunstwerken op een andere manier zien kwijt te raken. De Salon jury's beslisten dus eigenlijk over de smaak van het grote publiek.

De academische schilders zijn door hun inspiratieloze werkwijze nogal oninteressant voor de kunstgeschiedenis. Ze borduurden immers voort op een eeuwenoude traditie en probeerden deze met alle macht in stand te houden. Wel zijn ze interessant als tegenpool van en misschien wel stimulans voor de vele vernieuwingen binnen de kunst die het begin van de moderne kunst inluidden.

De gevolgen van de politieke en industriele ontwikkelingen, zijn voor andere kunstenaars en architecten juist aanleiding geweest voor het ontwikkelen van nieuwe tendenzen binnen de cultuur.

Een aantal schilders nam fabrieksaarbeiders en arme boeren tot onderwerp van hun schilderijen. Deze werken werden uiteraard door de Salonjury's afgekeurd. De onderwerpen misten iedere gratie en voldeden niet aan de regels van de academische kunst. Bovendien wekten de schilderijen met tragische beelden van arbeiderskinderen en dergelijke, irritatie op bij het belangrijkste publiek: de industrielen. Deze mensen wilden natuurlijk helemaal niet geconfonteerd worden met de ellende waar zij zelf de oorzaak van waren.

Deze schilders worden gerekend tot de stroming van het realisme. Schilders van de realiteit zou je denken bij deze benaming, maar niets is minder waar. Hoewel deze schilders zich schijnbaar interesseerden voor de gewone man en die op een realistische wijze afbeeldden, weerpiegeld hun werk niets van de werkelijke omstandigheden waarin deze gewone man zich bevond. Schilders als Millet en Courbet maakten schilderijen van de dagelijkse bezigheden van de mensen. De wijze waarop zij dit weergaven, geeft aan die bezigheden en aan hun leven iets poetisch.
In werkelijkheid was hun leven verre van poetisch. Door de industrialisatie waren velen naar de stad getrokken, waar het hele gezin, inclusief kleine kinderen, meer dan twaalf uur per dag moesten werken om genoeg geld te verdienen om in leven te blijven. De wijken waarin zij woonden waren verkrot, er heersten besmettelijke ziektes, alcoholverslaving en werkeloosheid vierden hoogtij. Het zou nog ongeveer vijftig jaar duren voordat aan deze situatie in de beeldende kunst aandacht besteed zou worden; en wel door Vincent van Gogh.
Het doel van de realisten was 'het realistisch weergeven' en niet om 'de realiteit weer te geven'. Ze zetten zich af tegen de kunstmatige composities van de academische schilders. Om hun doel te bereiken verlieten veel schilders hun atelier om de mensen bij hun bezigheden te bestuderen, in plaats van het naschilderen van een poserend model.

Een groot aantal van deze schilders verlaat de grote steden om weer op het platteland te gaan leven, zoals in het plaatsje Barbizon. Hier hadden ze volop de gelegenheid om de hardwerkende boerenbevolking te observeren. Bovendie introduceerden zij het schilderen in de open lucht (en plein air). Met name door deze vernieuwing heeft de School van Barbizon enorme invloed gehad op de Haagse School en de Impressionisten.

De realisten lijken zich op het eerste gezicht het lot van de verdrukten in de samenleving aan te trekken, maar hun schilderijen zijn enkel een poetische interpretatie van hetgeen zich in de onderste lagen van de maatschappij afspeelt. Feitelijjk zijn zij net zo gericht op het winnen van de smaak van het publiek als hun academische collega's.

De eerste sociaal geinspireerde vernieuwingen in de kunst vonden plaats binnen de architectuur en vooral binnen de toegepaste kunst.