Kunstgeschiedenis.jouwweb.nl
Home » beeldhouwkunst » middeleeuwen » gothische periode

 

Beeldhouwkunst en schilderkunst vormden één geheel met het Kerkgebouw (architectuur)

Alles stond met elkaar in verband en waardoor de beleving van de "Christelijke Boodschap" werd versterkt.  

Gothische kerken werden rijk versierd met beelden.

Net zoals bij de romaanse kerken bevindt zich in het portaal en op het timpaan van de gotische kerk veel beeldhouwwerk. In stijl is er echter een groot verschil op te merken. Waren de figuren van het romaanse portaal stijf, stram en leken ze een geheel met de zuil te vormen; de gotische figuren lijken meer op vrijstaande beelden. Hun voeten staan op een plateau en hun lichamen zijn gedraaid in een S-vorm. De figuren lijken onderling zelfs contact te maken in plaats van dat ze recht voor zich uit staren. De kleding benadrukt de vorm van het lichaam en de beweging die het maakt.

Aan het einde van de middeleeuwen ontstaan andere ideeën de boodschap van "God".

Om God goed te kunnen begrijpen en om dichter bij hem te komen, moet je alles goed bestuderen wat hij geschapen heeft. Zo ook de mens.

Wanneer je begrijpt hoe een mens in elkaar zit, kom je weer wat dichter bij de Schepper.

Hierdoor werden de menselijke figuren met steeds meer Realisme uitgebeeld.

Deze ideeën worden in de Renaissance verder ontwikkeld. Er wordt gezegd: de mens is de maat der dingen. De verhoudingen van de mens worden zelfs gebruikt als uitgangspunt in de architectuur.

 

In de middeleeuwen, vooral de vroege middeleeuwen en de romaanse tijd ging het er vooral om een duidelijk verhaal te vertellen. Gedrochten en fabeldieren en andere "hellewezens" werden graag en veel uitgebeeld. 

Fantasie was als inspiratiebron belangrijk.

In de 14e eeuw drong ook in de beeldhouwkunst de herwaardering voor de werkelijkheid door.

Men kreeg weer bewondering voor de natuurgetrouwe Romeinse reliëfs die in Italië nog rijkelijk aanwezig waren op sarcofagen en triomfbogen.

De gotische beeldhouwers namen kenmerken van dat klassieke beeldhouwwerk over in hun eigen werk.

 

Gebouwen werden steeds hoger en daardoor ogenschijnlijk smaller. In de beeldhouwkunst en schilderkunst zien we langgerekte figuren in de uitbeelding van menselijke figuren.

 

De term voor de kunststroming die we nu gotiek noemen werd voor het eerst gebruikt door de Italiaanse architect Giorgio Vasari. Toen hij in opdracht van de hertog van Farnese in 1546 een overzicht maakte van alle bekende kunstenaars sinds de oudheid, gebruikte hij in zijn (zeer invloedrijke) boek deze naam voor alle laatmiddeleeuwse kunst waarin de hang naar verticaliteit terug te vinden is

 

De beeldhouwwerken kregen natuurlijker proporties, en onder de kleding werden voor het eerst de lichaamsvormen weergegeven.

Ook menselijke gevoelens als tederheid, genegenheid of angst werden uitgebeeld.

De monumentaliteit en statigheid die de Romaanse kunst kenmerkte, maakte geleidelijk plaats voor sierlijkheid en intimiteit. Kunst was voornamelijk religieus