Kunstgeschiedenis.jouwweb.nl
Home » 19 eeuwen schilderkunst » gothische periode

 

Op zoek naar het goddelijke licht

De gotische periode begint rond 1150 met de bouw van (een gedeelte van) de kloosterkerk St. Denis in Frankrijk. Verantwoordelijk voor die verbouwing was abt en bouwmeester: Suger. Deze abt was zeer invloedrijk op godsdienstig en politiek gebied. Hij had een theorie over het geloof: God is licht.

Dat geldt ook voor de schilderkunst uit de gotiek.

Volgens abt Suger is God het bovennatuurlijk licht dat over de aarde schijnt. Hij wilde dat zijn kerk een bron van licht zou zijn. God moest als licht de kerk kunnen binnen komen. Hiertoe waren veel en grote ramen nodig. De romaanse bouwtechniek was hier echter niet voor geschikt. Te grote ramen zouden de muren verzwakken.

De ideeën van Suger stimuleerde de ontwikkeling van de bouwkunst tot de ontdekking van het kruisribgewelf.

Nu was het mogelijk om hoog te bouwen, om tot in de hemel te reiken, terwijl het goddelijk licht naar binnen straalde.

Glas-in-lood ramen

Gebrandschilderde ramen zien er rijk en  schitterend uit.

De ramen bestaan uit een combinatie van (bewerkt)glas en loden strippen. In de voorstellingen worden verhalen uit het Oude en Nieuwe Testament verbeeld, maar ook van koningen en keizers. Dergelijke ramen kosten veel geld.

De burgers van een stad betaalden mee aan hun kerk. Diverse gildes (beroepsgroepen) gaven geld aan de kerk om een raam te kunnen bekostigen. In ruil daarvoor kregen de gildes een eigen plekje op de ramen.

Een gilde was een organisatie van mensen met hetzelfde beroep. Soms had een gilde niet alleen een eigen stukje raam, maar ook een eigen altaar in de kerk.

Het altaarstuk

De gebrandschilderde ramen waren indrukwekkend, maar ook de altaarstukken.

Een altaarstuk is een schilderij op paneel (hout), dat op het altaar staat.

Het altaarstuk, zoals we dat nu nog in kerken kunnen zien, is ontstaan in de twaalfde eeuw. Vaak is het een drieluik (waarop de opdrachtgever zichzelf ook liet afbeelden).

 

 

lam gods/gebr.van Eyck

Miniaturen

Monniken maakten kunstwerken van godsdienstige boeken die ze zelf overschreven: Handschriften.

Sierlijk beschilderde pagina's  worden miniaturen genoemd.

 

GOTHISCHE SCHILDERKUNST

geertgen tot st jans

 

De 'gotische' schilderkunst heeft in elk land een totaal eigen karakter. In tegenstelling tot de kerken/kathedralen  in Frankrijk komen in de de kerken van Italië grote (gebrandschilderde) ramen niet voor. De muurschildering  ontwikkelt zich verder.

Geleidelijk wordt de byzantijnse invloed (platte statische voorstelling) hierbij zwakker : de compositie wordt vlotter, de houdingen van de figuren worden natuurlijker, er komt meer achtergrond  waardoor het gebeuren zich in een aan de werkelijkheid gerelateerde ruimte afspeelt.

Dat de perspectiefweergave niet altijd klopt hoort bij deze periode. De opleiding van de schilder gebeurt nog in het atelier en pas later wordt de natuur "buiten" bestudeerd. 

Onder "" byzantijnse""  invloed worden devotiebeelden op hout geschilderd, vooral voorstellingen van de Madonna, maar ook beschilderde kruisen.

 

De Vlaamse Primitieven..

 

10090.large.jpg

 



De Vlaamse Primitieven

Rond eind 15de, begin 16de eeuw, is een groep schilders actief die we tegewoordig de Vlaamse Primitieven noemen zoals Jan van Eyck, Rogier van der Weyden, Hugo van der Goes, Hans Memling, Dirk Bouts en Gerard David.

Zij worden gerekend tot Laatgotiek en Noordelijke Renaissance In veel schilderijen zie je een apart wereldbeeld, een Wereld vol fantastische wezens. Uitbeelden van het kwaad en zijn afschuwelijke gevolgen moet de mens van de zonde weerhouden. Iedereen kwam bijna elke dag in de kerk, en kon dus elke dag herinnerd worden aan welke vreselijke dingen gebeuren als je slechte dingen zou doen.Vaak toont de kunst een uiting van kwellend zondebesef, zoals Jeroen Bosch bijvoorbeeld.Soms gaat het over de hel, dan weer over dromen, dan weer lijkt het over het dagelijks leven te gaan. Maar steeds is de boodschap: pas op! Overal loert het gevaar om een zonde te begaan. Omdat de schilders dank zij de olieverf heel ver kunnen gaan in de stofuitdrukking en detaillering, en daarmee dus heel realistisch werken horen ze echt tot de Renaissance. Maar omdat ze zo'n - in onze ogen - onhandige manier van ruimte-uitbeelding hebben zouden ze weer beter bij de Gotiek ongedeeld kunnen worden.

Als Michelangelo zijn David hakt tobben ze in Vlaanderen nog met het perspectief.

Daarom wordt gesteld dat ze bij de Laat-Gotiek en de Noordelijke Renaissance horen.

 

http://www.vavo-tekenen.nl/index.html

 

Gotiek 1100 tot 1400
• Naast bijbelse ook profane(wereldse) onderwerpen

  natuur, portretten.
• Glasschilderkunst
• Miniatuurschilderkunst
• Sacrale schilderingen
• Plastische weergave mensfiguren
• Ruimtelijke weergave omgeving
• Eitempera en olieverf
• perkament
• Collonet figuren
• Op de tympaan meestal Christus met 4 apostelen.
• S bocht houding
• Half losstaande beelden
• Dynamische voorstelling
• Tapijten betere kleurovergang