Kunstgeschiedenis.jouwweb.nl
Home » textiel kunst

 

Textielkunst

 

 
 

Textielkunst is de vorm van ambacht en kunst om gebruikmakend van natuurlijke en of synthetische textielproducten praktische of decoratieve objecten te vervaardigen.

 

In een ruime betekenis kan men onder textielkunst alle vormen van handwerken verstaan en alle vorm van ambacht hieromheen. In strikte betekenis kan men het zien als vorm van beeldende kunst van de textielkunstenaars.

 

Tot de meest uitgesproken vormen van textielkunst zijn:

Decoratieve stoffen

 Kleding

Wandtapijt

 

In de textielkunst wordt nog onderscheid gemaakt in:

  • Ambachtelijke textielkunst, en
  • Machinale textielkunst

 

 
 
 
 

Textiel is letterlijk "al wat geweven is". Het woord is afgeleid van het Latijnse woord "texere" dat weven betekent.

In het moderne spraakgebruik wordt textiel veel ruimer gebruikt: textiel is een materiaal, dat bestaat uit filamenten (eindloze draden) of vezels (korte stukjes draad). Textiel is praktisch altijd vervormbaar en kan een, twee- of driedimensionaal zijn.

De samenhang in het textiele materiaal ontstaat door de grondstoffen te spinnen, twijnen (of kableren of slaan), weven, breien, knopen, vlechten of door er vilt (een soort harig vlies) van te vormen.

Na het spinnen is een eendimensionale textiel ontstaan: het garen. Ook getwijnde, gekableerde of geslagen textiel (twijn, touw of kabel) noemen we eendimensionaal omdat de dikte vergeleken met de lengte zeer klein is. Gebreide, geweven, gevlochten en geknoopte textiel gaat uit van garen en is meestal tweedimensionaal en in uitzonderingsgevallen driedimensionaal (afstandsweefsel of breisel, slangen, en zakken). Gevlochten textiel is een- (koord), twee- (band) of driedimensioneel (omvlechtingen). Bij de vliesvorming is in tegenstelling tot de andere technieken geen garen nodig. Ook met losse vezels kan een textiel materiaal gevormd worden (o.a vilt). Vliezen zijn tweedimensionaal.

 

 

 

Rebecca Horn realiseerde vanaf eind jaren zestig performances, gedocumenteerd met video, waarin theatrale verlengstukken van het lichaam centraal staan. Vanaf de jaren tachtig maakt ze sculpturen, installaties en speelfilms, waarin de trage bewegingen en plotselinge geluiden intrigeren. De video's en performances van Rebecca Horn zijn vernieuwende en bewust ironische variaties op het surrealisme waarin zij zich met choreografische rituelen richt op verlengstukken van het lichaam en de mythische identificatie van de mens met de natuur.

Beweging is het meest belangrijke sculpturale element in het postminimalistische werk van Rebecca Horn. Door beweging lijken haar werken te ontstijgen aan het materiële. Door beweging ook, wordt in haar werken een belangrijke relatie tot stand gebracht met de beschouwer: hij wordt verrast door beweging of verwacht die juist, en hij wacht vervolgens op een herhaling ervan.

Magdalena Abakanowicz

Unrecognised, Citadel Poznań

Magdalena Abakanowicz (Raszyn-Falenty, 20 juni 1930) is een Poolse beeldhouwster en textielkunstenares.

Marta Abakanowicz (dit was haar geboortenaam, pas in 1950 heeft zij die veranderd in Magdalena) werd geboren in een klein dorpje in de buurt van Warschau. Haar ouders waren van aristocratische komaf, ze bezatten grote stukken grond en waren zeer welvarend. De geschiedenis van de familie van haar vader gaat helemaal terug tot Mongolië in de tijd van Genghis-Khan, 13de eeuw. Een afstammeling van deze machtige familie, was genaamd Abaka-Khan, de naam ontwikkelde zich later tot Abakanowicz.

Tijdens de Russische Revolutie in 1917, werden bijna alle leden van de Abakanowicz familie vermoord. Twee van hen, Konstantyn, de vader van Magdalena en zijn broer ontvluchtten deze slachting en vestigden zich in Polen, het land van hun moeder. De moeder van Magdalena, Helena Domaszowska kwam eveneens uit een welvarende familie. Tot aan de 18de eeuw had deze familie banden met de Poolse koningen. Magdalena werd vooral opgevoed door de dienstmeisjes, ze had niet zo’n sterke band met haar ouders. Haar moeder was teleurgesteld dat ze een meisje ter wereld had gebracht in plaats van een jongen, die het familiebezit zou erven en met een stevige hand zou leiden. Door de sociale status van haar ouders ging Magdalena niet naar de reguliere school en had ze geen contact met andere kinderen van haar leeftijd.

Geïsoleerd van de buitenwereld bracht ze veel tijd alleen door op het landgoed van haar ouders. Ze was gefascineerd door de natuur die haar omringde. Op het Poolse platteland was de natuur altijd een bron voor allerlei bijgeloof en mystieke verhalen. Hoewel haar ouders niet bijgelovig waren, had Magdalena deze verhalen toch opgevangen, wat haar fascinatie voor de natuur alleen maar vergrootte. Later beschreef Abakanowicz haar jeugd en haar fascinatie voor de natuur op een zeer poëtische wijze in ‘Portrait x 20’. “Best when no one saw me. I got up when the light came through the shutters. Beyond the park, near the marshes, the grass reached my face. I know each blade .” “Between the ponds and the pine grove was a fallow field. Sandy, white, overgrown with clumps of dry, stiff grass. It looked strange. The tips of each clump converged, forming a kind of tent. The whole wide area looked as if it were covered by minute bristling cones. No one ever changed anything there. Everyone knew it should be left alone. ‘They’ live in the grass, it was said.” “The country was full of strange powers. Apparitions and inexplicable forces had their laws and spaces. I remember ‘Poludnice’ and ‘ Zytnie Baby’. Whether I had ever seen them, I cannot say; in the hamlet peasant women talked about them. There were also some who know how to bring about illness or induce elflock. ” Toen Magdalena zes jaar oud was kreeg ze les van een privé leraar. Het was echter geen succes. “ When I was six, I was given a teacher. A stranger. I was used to strangers only from a distance. They made me uneasy. ” Haar interesses gingen uit naar de natuur in plaats van naar de schoolboeken. Haar ouders respecteerden dat en dwongen haar niet tot leren. Daardoor had Magdalena veel tijd om de bossen verder te ontdekken.

Magdalena Abakanowicz vestigde in de zestiger jaren internationale belangstelling op zich met haar grote gouaches op canvas. Midden zeventiger jaren nam haar werk een dramatische wending, toen zij begon hoofden, lichamen, dieren en vogels uit basismaterialen als sisal, jute en hars te vervaardigen. Dit was meestal gevonden materiaal, zoals touw en jute, dat zij vooral in havens vond en dan letterlijk tot op de draad uitploos. Snel werd dit karakteristiek voor haar gehele oeuvre. De op deze wijze gecreëerde serie "Abakans" sprong erboven uit