Kunstgeschiedenis.jouwweb.nl
Home » architectuur » middeleeuwen

Abdij van Cluny

Oostvleugel van de abdij
 

De abdij van Cluny is een benedictijner klooster, gelegen bij de plaats Cluny, ongeveer 90 kilometer ten noorden van Lyon. De abdij was het middelpunt van een belangrijke hervormingsbeweging, de orde van Cluny, die zich tussen 900 en 1200 over een groot deel van West-Europa verspreidde.

De abdij werd in 909 of 910 gesticht door Willem I van Aquitanië, hertog van Aquitanië en graaf van Mâcon, bijgenaamd Willem de Vrome. Deze Willem vroeg de abt Berno (850-927) van het klooster van Baume, nabij Besançon, om advies bij de stichting van een kleine abdij, waar twaalf monniken in zouden treden. Dit werd de abdij van Cluny. Uniek is dat Willem als stichter afzag van al zijn rechten, die hem volgens het toen populaire eigenkerkenwezen toevielen. Volgens de stichtingsoorkonde stond de abdij slechts onder de bescherming van de paus (exemptie). Deze beperkte voogdij werd pas achteraf door de pausen aanvaard, maar hierdoor kon Cluny op een verregaande autonomie rekenen. De Romana libertas, Romeinse vrijheid, gaf het klooster een groot prestige

Na de val van het West-Romeinse Rijk in 476 beginnen officieel de middeleeuwen: de periode van grofweg 500 tot 1400 na Christus. Maar voor de kunstgeschiedenis houden we andere jaartallen aan.

 

Kunst, kloosters en kerken
Aan het einde van de elfde eeuw begint de romaanse periode en in de twaalfde eeuw de gotiek. Tussen de vijfde en de elfde eeuw gebeurt natuurlijk ook van alles. Zo ontstaan de eerste kloosters. Het eerste klooster werd in 520 gesticht door de heilige Benedictus en het stond in Italië. Benedictus schreef een boek waarin stond hoe de monniken zich moesten gedragen en hoe ze hun dag moesten indelen. Ze moesten zich aan strenge regels houden. De benedictijner kloosters breidden zich snel uit en rond 1200 waren er al 1500! Dat is een belangrijke ontwikkeling, omdat onder andere de kloosters ervoor zorgden dat het geloof zich over heel Europa verspreidt. Het geloof is niet alleen voor monniken heel belangrijk, maar voor alle mensen in de middeleeuwen. Daarom zijn bijna alle kunsten in deze tijd religieus van inhoud.

De Basilica
In 313 wordt het christendom staatsgodsdienst. De christenen hoeven hun geloof en kerkdiensten nu niet meer geheim te houden. Kerkdiensten kon je ze het in het begin eigenlijk nog niet noemen, want er waren helemaal nog geen gebouwen speciaal gemaakt voor het houden van de mis. Deze werden in het geheim bijvoorbeeld in een woonkamer of in kelders gehouden.

Maar welk gebouw was geschikt om als kerk te dienen? In ieder geval niet een Romeinse tempel. Die is ten eerste veel te klein voor grote groepen. Voor de Romeinen diende het gebouw vooral als woonplaats voor het heilige beeld en niet om in samen te komen. Ten tweede wilden de christenen niet een gebouw gebruiken, dat symbool stond voor de heidense godsdienst van de Romeinen. Zij wilden hun eigen kerk.

De oplossing vinden ze bij een ander typisch Romeins gebouw, namelijk de basilica. De basilica was een langwerpig gebouw dat verschillende functies had, zoals marktplaats, maar er werd ook recht gesproken. Het was groot genoeg om veel mensen kwijt te kunnen en had geen enkele band met godsdienst. De basilica werd de basisvorm van de christelijke kerk.

Romaans en gotisch
De meeste kunst uit de Middeleeuwen kwam voort uit religie. Daarom hebben we het in deze kunstperiode vooral over kerken, kathedralen, reliëfs en fresco’s.

Saint-Denis en de geboorte van de gotiek

De kerk is een architecturaal meesterwerk en wordt gezien als het eerste grote gotische bouwwerk. De bouw van de huidige kerk werd begonnen in 1136, maar het gebouw kwam niet voor het einde van de 13e eeuw gereed.

Op zondag 11 juni 1144 werd de kooromgang van de basiliek plechtig ingewijd in het bijzijn van de Franse koning Lodewijk VII de Jongere. Deze basiliek werd verbouwd naar de ideeën van Suger van St. Denis, in een nieuwe stijl met spitsbogen en glas-in-loodramen, waarbij de nadruk ligt op verticaliteit en een hemelse lichtinval. Ten grondslag daaraan lag een nieuwe theologie waarbij God met licht geïdentificeerd werd. In de westgevel zorgde het grote roosvenster voor binnenstralend licht. In het naar Jeruzalem gerichte oostelijke koor werden muren weggehaald en vervangen door pilaren. De kooromgang werd tussen 1140 en 1144 uitgebreid met een reeks straalkapellen "geplaatst in een halve cirkel, waardoor de kerk baadde in een ononderbroken schitterend licht dat binnenviel door de helderst denkbare ramen". Doordat de kapellen voorzien werden van een kruisribgewelf waardoor de muren geen dragende functie meer hadden, was er plaats voor grote glaspartijen, voorzien van schitterende glasramen. Saint-Denis is overduidelijk een directe vertaling van de ideeën die Suger koesterde over het universum. Abt Suger introduceerde het principe van de verticaliteit en de opwaarts gerichte spanning, eigen aan al de nieuwe bisschopskerken tot aan het einde van de middeleeuwen. Saint-Denis markeerde de geboorte van de Gotiek.

De nieuwe overdadige stijl van de St.-Denis stak schril af tegen de bouwwijze van de cisterciënzerkloosters en de aangrenzende kerk, die zich kenmerkte door een volstrekte soberheid volgens de regel van Bernard van Clairvaux.

 

 

Abdij Kloostergemeenschap met een abt of abdis aan het hoofd.

Absis Halfronde of veelhoekige uitbouw, meestal ter afsluiting van het koor in een kerk. In de vroeg-christelijke kerken stond in de absis de bisschopszetel, de cathera. Later kwam er het

Arcade Rij bogen op zuilen of pijlers

Entablement of hoofdgestel  Liggende stenen die op staande zuilen rusten. In klassieke gebouwen van boven naar beneden verdeeld in kroonlijst, fries en architraaf.

Baptisterium Doopkapel bij een christelijke kerk

 Crypte Geheel of gedeeltelijk ondergrondse cultusruimte onder een kerk. Meestal werden in een crypte de stoffelijke resten bewaard van heiligen.

Kapiteel Bovenste stuk van een pijler, zuil of pilaster, speciaal vormgegeven en met als taak om de de overgang te vormen tussen het dragende deel en de architectuur die daarop rust.

Kathedraal Hoofdkerk van een bisdom. Het woord is ontleend aan cathedra, de bisschopszetel die in vroeg-christelijke kerken in de absis stond opgesteld

Kloostergang Galerij die drie of vier zijden van een open hof bij een klooster omgeeft

Koor Een afgescheiden ruimte tussen het schip en de absis

Kooromgang Gang rondom het koor.

Lichtbeuk Het verhoogde middenschip van een basiliek met vensters die licht binnenlaten.

Monument Kunstwerk in de openbare ruimte, opgericht om een persoon, een gebeurtenis of een periode te herdenken.

Retabel Altaaropbouw, versierd met beelden, schilderingen of beide.

Sluitsteen Hoogste steen van een boog of gewelf

Straalkapel Uitgebouwde kapel aan de kooromgang van een romaanse of gothische kerk

Tabernake lOorspronkelijk de naam voor het draagbare heiligdom van de Israëlieten gedurende hun verblijf in de woestijn. Later wordt  het woord gebruikt voor de altaarschrijnen in de katholieke kerk, waarin het Heilig Sacrament (de geconsacreerde hosties) wordt bewaard

Transept Dwarsschip bij een kerk. Een transept kruist het middenschip waardoor een kruis ontstaat.

Tympanon/timpaan/fronton. Driehoekig gevelveld uit de klassieke en latere architectuur. In veel gevallen voorzien van beeldhouwwerk.

 Vroeg christelijke kunst tot de 5e eeuw
• Basilica
• Centraal bouw
• Halflosstaande beelden
• Symbolen
• Religieuze onderwerpen
• Onpersoonlijk
• Sobere weergave
• Gestileerd
• Fresco’s mozaïeken

Romaanse kunst 900 tot 1150 n. Chr.
• Latijns kruis
• Basiliek basilica
• Verhoogde middenbeuk
• Dwarsschip
• Straalkapellen
• Christus met vier evangeliën afgebeeld vier dieren
• Dikke muren tongewelven
• Zware contouren
• Weinig plasticiteit
• Platte kleurvlakken
• Attributen kenmerken personen

 

Gotiek 1100 tot 1400
• Kruisribgewelven
• Spitbogen
• Steunberen
• Luchtbogen
• Hoogbouw
• Vertikaal
• Veel ramen en licht
• Bouwen naar de hemel
• Skeletbouw

 

 

 
 

De middeleeuwen (ca. 500 tot ca. 1500) vormen in de geschiedenis van Europa de periode tussen de Oudheid en de vroegmoderne tijd Traditioneel situeert men deze periode tussen de val van het West-Romeinse Rijk in de 5e eeuw en de renaissance die vanaf de 14e eeuw in Italië begon.

De middeleeuwse maatschappij en beschaving zijn ontstaan uit drie duidelijk te onderscheiden bronnen: de Grieks-Romeinse beschaving, het christelijk geloof - die beide op het grondgebied van het Romeinse Rijk ontstonden of verder ontwikkelden - en Germaanse tradities, die binnenvallende volkeren later meebrachten. Daarnaast hadden ook de Kelten invloed op de middeleeuwse cultuur, al valt dit wat moeilijker aan te tonen. Deze invloeden uitten zich op allerlei terreinen: in landbouwmethoden, rechtsgewoonten of bijgeloof.

Kenmerkend voor deze lange periode in de westerse geschiedenis zijn vooral de fragmentatie van het politieke gezag, een overwegend agrarische economie, een samenleving verdeeld tussen een militaire adel (die eigenaar is van het land) en een tot horige gemaakte boerenklasse, en ten slotte een systeem van denken gebaseerd op religie, bepaald door de Christelijke Kerk.

De basilica als uitgangspunt

 

De stijl van bouwen die we de Romaanse bouwkunst noemen begint aan het einde van de elfde eeuw. De manier van bouwen en het type kerk dat hieronder besproken wordt, is typisch voor West-Europa. Hiervan vinden we veel voorbeelden in bijvoorbeeld Frankrijk.

De basisvorm van de Romaanse kerk is de basilica. Dit is een Romeins gebouw, dat onder andere gebruikt werd als marktplaats en waar recht werd gesproken. Het was een multifunctioneel, langwerpig gebouw, dat geen band had met de godsdienst van de Romeinen. Dit gebouw kozen de Christenen als uitgangspunt voor hun kerk. Ze voegden er een aantal elementen toe, waarvan de opvallendste het dwarsschip is. . Zo kreeg de kerk de vorm van een kruis, dat direct doet denken aan Jezus Christus, die aan het kruis gestorven is. De belangrijkste plaats in de kerk is de absis; dit is de plaats waar het altaar staat. Je herkent het op de plattegrond aan zijn halfronde vorm. Zie afbeelding 6-5. De kerkgangers komen hier echter niet. Zij nemen plaats op banken die zich in het middenschip en de 2 zijschepen bevinden.

Bouwtechniek

Een romaanse kerk een gebouw dat eerder lang en breed is, dan hoog. Dat komt omdat de bouwtechniek die van het stenen tongewelf is.  Deze ronde boogvorm is al een hele vooruitgang, omdat in het begin van de middeleeuwen de kerk nog een houten zoldering had. Het voordeel van het gebruik van steen, was dat het risico op brand stukken kleiner was. Daarnaast bleek dat de zangkunsten van de kerkgangers en de geestelijken veel mooier en indrukwekkender klonk door de nieuwe vorm en het nieuwe materiaal.

 

Tongewelf

Een tongewelf is in principe erg sterk, maar verzwakt snel als je de muren onderbreekt met behulp van ramen en deuren. Alle kracht en gewicht steunt namelijk op de muren. Dit is de reden dat een romaanse kerk dikke muren heeft en de ramen klein zijn. Je kunt er dus ook niet hoog mee bouwen. Het tongewelf kan zoveel gewicht en kracht niet aan en zal anders instorten.

Viering

Bij een kerk denk je vaak meteen aan torens, maar in de romaanse bouwkunst hebben nog niet alle kerken een toren. Wanneer dit wel het geval is, staat deze op de plek, die we viering noemen. In de toren bevinden zich de kerkklokken.

Bedevaartstocht

In de middeleeuwen gaan veel mensen op bedevaartstocht. Het reisdoel was bijvoorbeeld Rome, Santagio de Compostela, waar het graf van de apostel Jakobus zich bevindt of Jeruzalem, waar Christus is geboren. Een bedevaartstocht was een lange en uitputtende tocht die meestal te voet gebeurde. Er waren vaste routes die de bedevaartgangers konden gebruiken. Op die routes kwamen ze door dorpen, die vaak een bijzondere object bezaten die te maken had met het geloof.

Reliek

Een bijzonder object was bijvoorbeeld de schedel van een heilige of een stuk gewaad van een apostel. Je noemt een dergelijk object een reliek. Deze stond opgesteld in de kerk, zodat de gelovigen ernaar konden kijken en ervoor konden bidden. De bedevaartgangers die op hun route langs deze kerken kwamen, maakten hier natuurlijk ook gebruik van. Zo groeide die oorspronkelijk kleine dorpskerken al snel uit hun voegen door al die ‘toeristen’. De nieuwe romaanse bouwkunst zorgde ervoor dat er grotere en stevigere kerken gebouwd werden. Ondanks dat deze kerken tegenwoordig misschien klein lijken, waren het in de middeleeuwen imposante gebouwen. Je moet je voorstellen dat de gewone woonhuizen meestal van hout waren en de kerk het enige stenen gebouw

 

middeleeuwen

 

De middeleeuwen worden vaak onderverdeeld in 3 kleinere periodes:

  • Vroege of donkere middeleeuwen: 4e eeuw - 10e eeuw worden gekenmerkt door het verval van het Romeinse Rijk, de toenemende barbarisering en verschillende invasies, zowel van Germaanse stammen als van enkele steppevolkeren. De vroege middeleeuwen eindigen na het uiteenvallen van het rijk van Karel de Grote die de feodaliteit heeft geïntroduceerd. Er ontstaan kleine lokale vorstendommen.
  • Hoge of volle middeleeuwen: 10e eeuw - 13e eeuw worden gekenmerkt door het belang van de feodale structuren. Gaandeweg begint het centraal gezag zich te herstellen. De paus en de Duitse keizer zijn de belangrijkste machten. De Europese staten richten zich buiten Europa voornamelijk op het Midden-Oosten: dit is de tijd van de Kruistochten. In economisch en cultureel opzicht is dit een bloeiperiode.
  • Late middeleeuwen: 13e eeuw - 15e eeuw De kennis meegebracht uit de kruistochten en opgedaan in de strijd tegen Arabische invallen in Spanje brengt een langzame overgang naar de nieuwe tijd. De Europese rijken richten hun aandacht buiten Europa op het Oosten. Door de opkomst van rijke steden vermindert de greep van het feodale systeem. De Zwarte Dood bereikt Europa: hele streken raken ontvolkt door de ziekte.

Hoog en indrukwekkend

 

De gotiek laten we beginnen rond 1150 en plaatsen we in Frankrijk. Rond die tijd werd voor het eerst gebruik gemaakt van de gotische bouwtechniek, namelijk bij de kloosterkerk St. Denis bij Parijs. De techniek verspreidde zich echter snel over heel West-Europa. Als je in Nederland een gotische kerk wilt bezoeken, kun je naar Sint Jan in Den Bosch gaan.

In tegenstelling tot de romaanse kerk, die lang en breed is, valt de gotische kerk op door zijn enorme hoogte. Ze lijkt naar de hemel te reiken. Het tongewelf van de romaanse kerk was hier niet geschikt voor. In de gotiek ontstaat er een nieuw type gewelf: het kruisribgewelf. In eerste instantie lijken het 2 tongewelven die dwars op elkaar staan, maar er zijn 2 grote verschillen. Ten eerste is het gewelf niet meer rond, maar spits: er wordt gebruik gemaakt van spitsbogen in plaats van rondbogen. Ten tweede rust niet meer alle gewicht en kracht op de massieve muren, maar op de ribben van het gewelf. Net zoals bij een skelet.

Skeletbouw

Een dergelijk skelet kan veel meer gewicht en kracht (ver)dragen en een bijkomend voordeel is dat je makkelijk grote ramen in de muren kan plaatsen. De muren hebben namelijk geen dragende functie meer. Desondanks kunnen de kruisribgewelven wel wat hulp gebruiken en daarvoor dienen de luchtbogen en steunberen. Die vangen ook gewicht en kracht op.

Het belang van grote ramen

De opdrachtgever voor de kloosterkerk van St. Denis, abt Suger, vond het belangrijk dat de kerk hoog zou worden en dat er veel en vooral grote ramen in zouden zitten.

Waren de romaanse kerken voor de bezoekers al imposante gebouwen, de gotische kerken steken daar met kop en schouders bovenuit. Zo sober als de romaanse kerken , zo rijkelijk versierd waren de gotische kerken. De westfaçade, ook wel westwerk genoemd, (de kant van de hoofdingang, die altijd in de richting van het westen staat) lijkt wel versierd met kantwerk van steen. Opvallend kenmerk van het westwerk zijn de enorme torens en het roosvenster, het grote ronde raam in het midden. Het duurde soms wel 100 jaar voordat een kerk helemaal af was. Als er oorlog uitbrak of de pest zorgde dat voor behoorlijke vertraging. Zo komt het dat je soms in één gebouw en romaanse en gotische kenmerken ziet.